Zuid Holland, het Groene Hart, oktober 2013

Zuid Holland, het Groene Hart, oktober 2013

Rust en vrede

Het komt niet vaak voor, wel regelmatig: ik ben de stad zat. Ik heb iedere straatsteen wel gezien, denk ik dan. De magie van het alledaagse, ze moet er zijn want ze is er altijd, maar ze raakt me niet. Het vliedende leven sluit me buiten, eigen schuld, gebrek aan concentratie, tekort aan geduld, verloren vertrouwen. Dan moet ik even naar buiten, een leger land in, dat is opgetrokken uit eenvoudige lijnen, ontdaan van bonte kleuren, en wars van geluid en beweging. Daar is het gemakkelijker vrede sluiten met mijzelf en mijn omgeving.

Ik zit op een bank aan een water en deel mijn brood met kleine vissen. Die bank is daar neergezet omdat iemand bedacht dat bij het uitzicht hier een bank hoort. Ik tel de kleuren groen en blauw en grijs en raak de tel kwijt. Voor de zoveelste keer vraag ik me af hoeveel geluiden je tegelijk kunt horen en nog eens en voor de zoveelste keer raak ik de tel kwijt. Een vliegtuig, een brom. Een vogel, een vleugelslag. Vissenrug, waterkring. Boom, wind, ruis. Niets staat stil, niets is stil. Er is geen ontkomen aan. Ook niet in dit land van veen en meren. Wist ik wel, maar je kan er maar naar verlangen.

Naast de bank staat een afvalbak. Die is daar neergezet omdat iemand bedacht dat bij een bank een afvalbak hoort. Ik sta op om het zakje weg te gooien waarin mijn brood zat. Dan pas zie ik het teken dat op het deksel staat. Dat staat er niet omdat iemand bedacht dat het bij een afvalbak hoort: een hakenkruis. Het maakt me machteloos kwaad, zoveel haat en geweld. Het maakt zwaar wat licht was. Het kan geen hindoe of boeddhist zijn geweest die dat teken aanbracht onder het motto dat alles eronder vuilnis is. Rust is onrust geworden. Ik moet hier weg.

Een slingerweg zal me brengen naar een plek waar ik jaren terug graag kwam, bij een zelfkazende boer met oud belegen in de aanbieding, de kaas aller kazen. Het hakenkruis reist nog kilometers met me mee. Tot ik een bord langs de weg zie. Hier verkoopt men biologische groenten. Zomerbietjes! De tuinder is een tuinder uit de boekjes, tanig, gelooid, groene vingers, zwarte nagels, petje tegen de zon. ‘Ik spuit niet’, zegt hij. Het is geen jaar voor pruimen en de appels, drie soorten, zijn laat. Maar hij raakt alles kwijt wat hij verbouwt. Ik vraag hem naar de kaasboer die ergens verderop moet zitten. ‘Die is er niet meer,’ zegt hij. ‘Die heeft zich verhangen in zijn schuur.’

Met een kist vol groente ga ik op huis aan. Nog tien minuten slingerweg en dan de ongerijmd verrommelde landschappen die Daniel Koning in ‘Nederland voor gevorderden’ zo kraakhelder heeft vastgelegd. De binnenstad, mijn binnenstad, komt snel dichterbij. Ik ben er weer klaar voor.

Oktober 2013